De problematiek van PBFD

Snavel- en Veerrotziekte bij papegaaien en parkieten.

 

Het gaat om een besmettelijke virusziekte veroorzaakt door het Circo-virus.

Deze virusziekte was in eerste instantie vooral bekend als ziekte bij kaketoes. Inmiddels zijn de afgelopen 20 jaar steeds meer verschillende soorten papegaaien en parkieten bekend waarbij het virus problemen geeft.

Het belangrijkste kenmerk was met name bij kaketoes, het verlies van veren en ontwikkelen van afwijkende veren . Daarnaast kwamen er snavelafwijkingen voor.

De uitwendige verschijnselen maken dat er wordt gesproken over Snavel- en Veerrotziekte.

De afgelopen jaren zien we bij steeds meer vogelsoorten dat de "klassieke verschijnselen’ niet meer naar voren komen. Dat betekent dat vogels besmet kunnen zijn zonder uitwendige verschijnselen..

Een belangrijk kenmerk bij deze virusziekte is dat vooral het afweersysteem wordt aangetast waardoor de weerstand van de vogel onvoldoende is.

Besmette vogels kunnen vervolgens allerlei complicaties krijgen die niet goed reageren op een behandeling.

In dergelijke gevallen is de problematiek vergelijkbaar bij mensen die besmet zijn met het HiV virus en vervolgens AIDS ontwikkelen waarbij allerlei complicaties optreden omdat ook bij AIDS het afweersysteem is aangetast.

Bij grijze Roodstaarten zien we regelmatig dat er geen uitwendige verschijnselen zichtbaar zijn. Jonge Grijze roodstaarten kunnen bloedarmoede ontwikkelen, verlammingsverschijnselen of acute leverontstekingen.

Vogels kunnen dan ook zonder uitwendige verschijnselen acuut doodgaan.

Er zijn gegevens waaruit naar voren komt dat er in de loop van de jaren verschillende varianten van het Circo virus circuleren.

Het is inmiddels bekend bij o.a. agaporniden, lories en neophema’s.

Het praktische probleem wat zich daarbij voordoet is dat niet alle varianten met de normale laboratorium testen zijn aan te tonen.

Als het gaat om een besmetting met PBFD in een bestand is het zeker niet zo dat alle vogels besmet worden en vervolgens problemen krijgen.

Een deel van de vogels kan zich ontwikkelen als dragers zonder verder klachten of verschijnselen te vertonen.

Andere vogels worden besmet maar zien kans het virus te overwinnen en zijn vervolgens vrij van het virus.

Vooral jonge vogels zijn gevoelig voor deze virusziekte. Volwassen vogels lopen aanzienlijk minder risico.

Het advies is om een besmet bestand te controleren middels bloedonderzoek. Vogels die positief zijn, zonder uitwendige verschijnselen worden , net als de overige vogels, na 90 dagen opnieuw getest.

"Positieve vogels" worden in een quarantaine situatie gehuisvest, bij voorkeur met een buitenvlucht.

Afhankelijk van de omstandigheden is het advies dat vogels met uitwendige verschijnselen, waarbij het Circo-virus wordt aangetoond, worden euthanaseert.

De tijd tussen het moment van besmetting en de uitwendige verschijnselen kan varieren van enkele weken tot vele jaren.

De verspreiding gaat via het zwevend stof .

Deze besmettelijke ziekte wordt vooral verspreid via handelaren in babypapegaaien. Deze handelaren verzamelen van verschillende herkomsten jonge papegaaien voor de handel.

Het advies is altijd om een jonge papegaai aan te schaffen via een betrouwbare kweker en nooit via een handelaar. Wie koopt er een jonge hond via een handelaar?

Ook komen er nog steeds besmette vogels binnen via de import van papegaaien. Met name vanuit Afrika zien we besmette vogels binnen komen.

Dat er nog steeds papegaaien, gevangen in de natuur, via importhandel in Nederland binnenkomen is op zichzelf al een schande.

World Parrot Trust is een internationale organisatie die op komt voor de belangen van papegaaien in de natuur en in gevangenschap. In Nederland en Belgie is een afdeling van deze organisatie aktief onder de naam Wereld Papegaaien Fonds. Deze organisatie voert campagne om deze legale importen te stoppen. STOP DE IMPORT!!!

Zoals reeds aangegeven doet de moeilijkheid zich voor dat het niet altijd mogelijk is om met de bestaande laboratorum testen de aanwezigheid aan te tonen.

Bij de laboratorium test die wordt gebruikt gaat het om het aantonen van het DNA van het virus. Deze methode is heel betrouwbaar als DNA van het virus wordt aangetoond. Wordt het DNA niet aangetoond wil het helaas niet zeggen dat de vogel , met zekerheid, niet besmet is.

Het kan zijn dat de enige manier om de besmetting aan te tonen is het onderzoek van organen van een dode vogel. Dat betekent dat de testen bij de levende vogel negatief verlopen terwijl het histologisch/weefsel onderzoek van de organen wel uitsluitsel geeft over de besmetting.

Er zijn meer ziektes die uitsluitend door middel van aanvullend laboratorium onderzoek kunnen worden aangetoond en waarbij het voor een koper van belang is om te kunnen achterhalen of de betreffende vogel lijdende was aan een ziekte/afwijking die niet kon worden aangetoond bij de aankoop. Het gaat dan feitelijk echt om een verborgen gebrek.

Een verborgen gebrek kan worden beschouwd als koopvernietigend.

Tevens is het meer dan redelijk dat de verkopende partij verantwoordelijk is voor het onderzoek op grond waarvan is aangetoond dat de vogel besmet was met een ziekte op het moment van de koop. Het is feitelijk de verantwoordelijkheid van de koper om dergelijk onderzoek te laten doen voor een vogel wordt verkocht als zijnde gezond.

Voor wat betreft de problematiek binnen een kweekbestand.;

Als het virus is aangetoond in een kweekbestand wordt het kweken van jonge vogels minimaal een jaar stil gelegd.

Vanzelfsprekend is het aanschaffen van vogels niet aan de orde.

Vanzelfsprekend is het verkopen van vogels vanuit het bestand niet aan de orde.

Vogels dienen minimaal twee maal te zijn getest en gedurende de onderzoeksperiode in een quarantaine situatie te worden gehuisvest.

De mate waarin de problemen zich binnen een bestand voordoen zijn sterk afhankelijk van de huisvesting, de voeding en de verzorging.

Verder afhankelijk van de soorten en de mate van overbevolking en / of stress in een bestand.

Vogels in buitenvluchten lopen aanzienlijk minder risico’s dan vogels, opgesloten in binnenverblijven.

Huiskamervogels lopen vrijwel geen enkele risico tenzij deze in kontakt komen met vogels vanuit de handel of vogels vanuit een besmet bestand.

Onze ervaring is al vele jaren dat met name de kwaliteit van de voeding in hoge mate de algehele conditie en weerstand van vogels bepaald.

Drs. J.Hooimeijer

Nog meer over PBFD

Inleiding

Snavel-en veerrotziekte is een ziekte die al vele jaren bij papegaaiachtige is onderkend. De aandoening is voor het eerst in 1975 in Australië beschreven bij Oranjekuif kaketoes. De ziekte is, vanwege het voorkomen bij deze kaketoes, jarenlang Sulfur Crested Syndroom genoemd.

In de loop van de jaren bleek de ziekte bij ongeveer 40 soorten papegaaiachtige voor te komen. De naam is daarom veranderd omdat het niet alleen een kakatoe ziekte is.

De nieuwe naam is Psittacine Beak and Feather Disease (PBFD) oftewel Snavel- en Veerrotziekte bij Papegaaiachtige.

Door onderzoek is bewezen dat de oorzaak een virusziekte is. Dit virus veroorzaakt een besmettelijke ziekte bij veel soorten papegaaiachtige. Papegaaien, kaketoes , ara's , agaporniden en vele parkietensoorten zijn gevoelig voor PBFD.

Verschijnselen

De meest opvallende uitwendige verschijnselen zijn de veerproblemen en de snavelafwijkingen.

Verder is bekend dat het virus het afweersysteem van de vogels aantast zodat de vogels gevoeliger zijn voor andere ziektes.

De problemen worden het meest gezien bij jonge dieren. Van deze ziekte is bekend dat vooral jonge, zich ontwikkelende dieren gevoelig zijn voor een besmetting.

De eerste verschijnselen kunnen al naar voren komen tijdens de eerste ontwikkeling van de bevedering bij de jonge vogel. Ook kunnen de verschijnselen naar voren komen tijdens de eerste jeugdrui. Ook zijn er vogels, waarbij de afwijkingen pas na jaren zichtbaar worden.

De veerafwijkingen kunnen zich over het hele lichaam uitbreiden, maar kunnen ook beperkt blijven tot een gedeelte.

Het kan hierbij deels gaan om de lichaamsbevedering. In veel gevallen zien we de afwijkingen beperkt tot de handpennen en de staartpennen. De afwijkingen komen in het algemeen symmetrisch voor.

Er ontwikkelen zich afwijkende veren met stolsels in de schacht, verdikkingen en insnoeringen aan de basis van de schacht, waarbij de veren kunnen uitvallen. Verder kan de gehele struktuur van de veren afwijkend zijn. Ook afwijkende pigmentatie van de bevedering kan een verschijnsel zijn bij besmette vogels.

Vooral bij kaketoes is opvallend dat de eerste verschijnselen kunnen beginnen bij de donsveren. Door het niet meer aanmaken van normale donsveren maakt de vogel onvoldoende "poeder". Dit poeder is normaal de oorzaak van de matte, grijzige aanslag op de snavel bij een gezonde vogel. Bij PBFD kan opvallen dat de snavel glimmend zwart wordt door het ontbreken van dit poeder. 

Ook vooral bij kakatoes vinden we snavelmisvormingen met ernstige aantasting van het hoorn van de snavel met scheuren en ontstekingen. Er kan ook aantasting van de kwaliteit van de nagels optreden.

Door de aantasting van het afweersysteem sterven de meeste vogels uiteindelijk aan verschillende infecties met bacteriën en/of schimmels.

 

De ervaring is, dat het merendeel van de vogels die verschijnselen vertonen binnen een periode van 1 - 3 jaar doodgaan aan allerlei complicaties.

Verspreiding

Het virus kan door huidschilfers, veerstof en ontlasting in de omgeving worden verspreid.

Ouders kunnen jongen besmetten tijdens het voeren.

Verder zijn er aanwijzingen dat het virus ook, door de pop, via het ei kan worden overgebracht.

Een groot probleem in de verspreiding is, dat er vogels zijn met een besmetting zonder uitwendige (klinische) verschijnselen. Deze zogenaamde dragers spelen een belangrijke rol bij de verspreiding van deze besmettelijke ziekte.

Dit kan zowel gaan om volwassen vogels als om jonge vogels die nog geen verschijnselen vertonen.

Incubatieperiode

De kortste periode tussen een besmetting en uitwendige verschijnselen,(= de incubatieperiode) is 22-25 dagen.

De maximale periode is niet bekend. Er is een geval van een kaketoe, die ruim twintig jaar solitair als huisvogel was gehouden en vervolgens in een ruiperiode verschijnselen ging vertonen.

Bij nestjongen kan de ziekte een sneller verloop hebben dan bij volwassen vogels. Jonge vogels zijn het meest gevoelig voor de besmetting. Tijdens de veeraanmaak van de jongen kunnen de afwijkingen al binnen enkele weken zichtbaar zijn.

Diagnose

De diagnose is te stellen op grond van:

1- de uitwendige verschijnselen

2- weefselonderzoek

3- bloedonderzoek

ad 1. De uitwendige verschijnselen kunnen in veel gevallen al duidelijk aangeven in welke richting we moeten zoeken.

zie onder verschijnselen.

ad 2. In Nederland bestaat de mogelijk om van afwijkingen, weefselonderzoek te laten doen. Hierbij sturen we, in formaline gefixeerd, veer-en huidmateriaal op naar de vakgroep pathologie, afdeling bijzondere dieren van de faculteit voor diergeneeskunde in Utrecht.

Met dit weefselonderzoek kunnen typische insluitlichaampjes in de cellen worden gevonden, bewijzend voor de ziekte.

Een beperking van dit onderzoek is, dat alleen vogels met afwijkingen in aanmerking komen voor dit onderzoek.

ad 3. In Amerika is een test ontwikkeld om door middel van bloedonderzoek aan te tonen of de vogel besmet is met het virus ( vergelijkbaar met de Aidstest). Hierbij kunnen ook vogels worden getest die (nog) geen afwijkingen vertonen.

Deze test is in het najaar van 1993 beschikbaar gekomen in Engeland.

Behandeling

Zoals bij alle virusziektes, zijn er geen specifieke medicijnen om de ziekte te behandelen. Er kunnen ondersteunende maatregelen genomen worden en de complicaties kunnen worden behandeld.

Uiteindelijk zijn de kansen op herstel vrijwel te verwaarlozen en is er een reeele kans dat vogels drager blijven. Hiermee kunnen deze vogels verder voor verspreiding van de ziekte zorgen.

In enkele grote bestanden in Amerika kon men uiteindelijk vrij komen van de ziekte door, gedurende enkele jaren, het toepassen van een zeer strenge selectie. Vogels met verschijnselen en vogels die hiermee in contact geweest waren, werden geeuthanaseert.

Ook in de Nederlandse situatie zal, in de meeste gevallen, euthanasie de enige verstandige beslissing zijn.

De ontwikkeling van een entstof kan hierin verandering brengen omdat gevaccineerde dieren geen risico meer lopen.

Preventie

Zoals bij alle virusziektes, is de enige goede preventie te verwachten van een entstof.

In Amerika zijn al experimentele ervaringen met een entstof opgedaan. Deze ervaringen lijken gunstig.

Het zal vermoedelijk nog wel jaren duren voordat wij van deze ontwikkelingen kunnen profiteren.

In de toekomst kunnen vogels door middel van de bloedtest

worden onderzocht. Dit zowel bij de aankoop van nieuwe vogels als om te onderzoeken in hoeverre er dragers in een bestand aanwezig zijn.

Actuele preventieve maatregelen zijn :

** Bij een aankoop zeer bewust weten van wie een vogel wordt gekocht. De aankoop
van vogels met een onbekende achtergrond, is in veel opzichten een groot risico.

** Een langdurige quarantaine periode, waarbij vogels met name in een ruiperiode kritisch onderzocht moeten worden.

Vooral jonge vogels moeten de eerste 2 jaar herhaaldelijk worden onderzocht tijdens de veeraanmaak.

** Het realiseren van huisvesting waarbij stofvorming en verspreiding zoveel mogelijk beperkt kan worden. Vogels in buitenvluchten leveren een minder groot risico op dan vogels in binnenverblijven. Voličres en vogelverblijven moeten zoveel mogelijk gescheiden zijn waarbij binnenverblijven over een goede ventilatie en afzuiging moeten beschikken.

** De handel in babypapegaaien moet aan banden worden gelegd. Het bij elkaar brengen van jonge vogels vanuit verschillende (onbekende) achtergronden moet worden verboden. Deze baby's zijn extra gevoelig voor een besmetting en kunnen tegelijkertijd deze virusziekte gemakkelijk verspreiden. Mijn inziens speelt de verspreiding, via de anonieme babyhandel, de laatste jaren een grote rol bij de verspreiding van o.a. deze besmettelijke virusziekte.

** Er dient een verplichting te komen dat uitsluitend jonge vogels met een vaste voetring ofwel een microchip verhandeld mogen worden. Hierdoor kan de herkomst van een besmetting worden achterhaald.

Deze preventieve maatregelen spelen vanzelfsprekend ook een rol bij de preventie van andere besmettelijke ziektes bij papegaaiachtige.

Differentiaal diagnose

Een differentiaal diagnose is een overzicht van verschillende ziektes, waarvan de verschijnselen met elkaar overeen komen.

Het gaat hierbij vooral om aandoeningen van de huid en de bevedering.

Zonder verder in dit artikel te willen ingaan op deze verschillende ziektes is het mogelijk toch goed om zich te realiseren dat niet elke huid-, snavel- en veerafwijking veroorzaakt wordt door PBFD.

Enkele voorbeelden:

** Stokrui waarbij vogels in korte tijd onevenredig veel veren verliezen.

** verenplukkerij of anderszins beschadigde bevedering.

** ruistoornissen met afwijkende bevedering door langdurige voedingsfouten.

** chronische ziektes en vergiftigingen kunnen uiteindelijk afwijkende bevedering veroorzaken.

** polyfollikulosis bij agaporniden en grasparkieten met kaalheid, jeuk en afwijkende veervorming.

** kruiperziekte is ook een virusziekte met stoornissen in de aanmaak van vleugelpenen en staartpennen.

** papovavirusinekties kunnen bij jonge papegaaien, kaketoes en ara's ontwikkelingsstoornissen veroorzaken.

** huidontstekingen door bacterie- en/of schimmelinfecties kunnen veerafwijkingen veroorzaken.

Discussie

Door mij is de afgelopen jaren in toenemende mate verspreiding van PBFD geconstateerd.

De problemen concentreren zich vooral op aangekochte jonge papegaaien en kaketoes die via de ( bekende) tussenhandel worden aangeschaft. Het gaat hierbij om kwekers/liefhebbers die daardoor problemen krijgen maar daarnaast om "particulieren" die, veelal via deze tussenhandel, een huisvogel aanschaffen met deze fatale besmettelijke ziekte.

In toenemende mate wordt ik in mijn vogelkliniek geconfronteerd met drama's. Mensen kiezen bewust voor de aanschaf van een huisvogel en hopen samen met de vogel te kunnen oud worden. Er is soms langdurig geld voor opzij gelegd. Na enkele weken of maanden blijkt hun handtamme vogel een dodelijke ziekte te hebben. Verkopers/handelaren zijn niet thuis en laten mensen in de kou staan. De bekendste handelaar in de randstad laat de kopers zelfs een, mijns inziens, schandalig koopcontract tekenen waarbij er "gelegenheid" gegeven wordt om de vogels binnen 2 dagen na de aankoop te laten onderzoeken. Dit wil zeggen dat, zelfs als vogels binnen een incubatieperiode problemen krijgen, de verkoper zich veilig heeft ingedekt. Alle risico's worden afgewenteld op de kopers die in het algemeen bijzonder slecht worden voorgelicht.

Mensen worden door deze ellende sterk gedemotiveerd.

Via een dergelijke handel, waarbij vogels vanuit allerlei onbekende achtergronden bij elkaar worden gebracht, is de kans op een besmettelijke ziekte onevenredig groot.

De vogelliefhebberij moet hier afstand van nemen. Het gaat de gehele vogelliefhebberij aan. Negatieve ervaringen en negatieve publiciteit kunnen de beeldvorming over het kweken van papegaaien in gevangenschap zeer ongunstig beďnvloeden.

Een ander groot probleem is de toenemende verspreiding bij grote parkieten. Koningsparkieten, princes of wales, halsbanden enz. enz. zijn allemaal gevoelig.

Door onwetendheid worden vogels verhandeld zonder dat de consequenties worden onderkend.

In mijn kliniek werden onlangs 6 jonge koningsparkieten aangeboden voor endoscopisch onderzoek. Het ging om vogels van een prima kweekkoppel.

Bij onderzoek bleken 2 vogels de typische verschijnselen te vertonen. Vervolgonderzoek in Utrecht bevestigde de diagnose.

De conclusie moet dan zijn dat niet alleen de 6 jonge vogels maar ook het oude koppel besmet zal zijn met PBFD. Verder zullen er in het bestand dan nog wel meer vogels besmet zijn.

In de praktijk worden de 4 "normale" vogels domweg verkocht. Het kweekkoppel kan nog jaren de ziekte via de jongen verspreiden, zonder zelf ziekteverschijnselen te vertonen.

Conclusies

* De toegenomen intensiteit van het kweken en verhandelen van (baby)papegaaiachtige veroorzaakt een verspreiding van besmettelijke (virus)ziektes zoals PBFD.

* Het is een gegeven dat er dragers zijn van deze ziekte zonder ziekteverschijnselen.

* Zonder de mogelijkheid om deze dragers op te sporen, zal de ziekte zich de komende jaren verder verspreiden.

* De ziekte wordt bewust verspreid door kwekers en handelaren die weten dat er besmette vogels in de bestanden aanwezig zijn.

* Vogelverenigingen/bonden en individuele liefhebbers zullen zich moeten bezinnen op preventieve maatregelen.

* De georganiseerde vogelliefhebberij moet onderzoek naar vogelziektes stimuleren en ondersteunen. Zeker als het gaat om ziektes, waarvan te verwachten is dat deze een zeer nadelig stempel kunnen drukken op de gehele liefhebberij.

 

Drs. J.Hooimeijer